.ans.bouter.poëzie-&.liedtekstvertalingen.
liedteksten & gedichten             over vertalen/hertalen             contact             zoeken             home

Edna St. Vincent Millay (1892 - 1950)     over dit gedicht
Edna St. Vincent Millay
complete lijst met vertalingen


Dwars Vers
www.dwarsvers.nl

50 vertaalde gedichten & sonnetten van Edna St. Vincent Millay zijn te vinden in de bundel Dwars Vers - een tweetalige editie, HIER te bestellen



De ballade van de vrouw die weefde op de harp


“Zoon,” zei mijn moeder
Zo klein als ik was
“Je hebt haast geen kleer meer
En niets dat je nog past

“En ik heb niets in huis
Om kleer van te maken
Geen schaar om stof te knippen
Geen draad en geen laken

“En ik heb niets in huis
Dan een klein kontje brood
En een harp met een vrouwenhoofd
Die niemand koopt”
Een traan viel op haar schoot

Herfst moest het nog worden toen
En ze zei alleen
“Als ik naar je kijk, mijn zoon
Krimpt mijn hart ineen

“Mager als een lat ben jij
Al je kleer versleten
Waar maak ik een jasje van
God mag het weten

“En dan heb ik nóg geluk
Dat je vader dood is
Niet ziet dat zijn zoontje nu
Door mij zo in nood is
Mijn verdriet zo groot is”

Dat was weken later
De winter kwam nabij
Geen broek meer aan mijn benen
Geen hemd was meer van mij


Ik kon niet meer naar school
En ook niet buiten spelen
Het kon de andere jongetjes
Niet veel schelen

“Zoon,” zei mijn moeder
“Kom maar op schoot, wees zoet
‘k Wrijf je botten warm terwijl
Jij een dutje doet”

Een half uur of wat langer
Alleen maar gek doen samen
Benen die te lang zijn
Op de vloer al kwamen

We hop, hop, hopten
Op een kinderrijmpje
Samen blij en vrolijk
Even voor een tijdje

Daar zat ik, grote jongen
Stel dat men zou zien
Hoe moeder mij in slaap zong daar
Mij niet gezien
Zo raar bovendien


Koud was de winter
En bar dat jaar
Brandstof kostbaar
En eten schaars

’t Geluid van de wind klonk
Als wolven die huilden
We moesten de stoelen
Voor warmte verruilen

Over was enkel
Een stoel die niet breken wou
En de harp met een vrouwenhoofd
Die niemand hebben wou

Zelfs als je zingen zou

Het was bijna Kerstmis
Ik huilde van de kou
Ik huilde me in slaap
Zoals een peuter zou

En ’s nachts voelde ik hoe
Ze mij stil liggen liet
Een blik op me wierp
Die liefde verried

Ik zag mijn moeder zitten
Op de stoel, die ene
Waar het ook vandaan kwam
Een straaltje licht bescheen 'r

Hooguit achttien
En geen dagje ouder
Met de harp met een vrouwenhoofd
Tegen haar schouder

Haar dunne vingers gleden
Langs het dunne draad
Ze weefde en ze weefde
Met goudbrokaat

Mooi kleurig draad
Vanachter haar rug
Gleed langs de snaren
Snel en vlug

Het ritselend gouddraad
Door moeders handen
Het werd alsmaar groter
De draden spanden


Ze weefde een jakje
Van draadjes aaneen
Dat klaar op de grond lag
En weefde er nóg één

Ze weefde een jas
De koning te rijk
“Gemaakt voor een prinsje”
Zei ik, “Niet voor mij”
Maar het was toch heus voor mij

Ze weefde ook een pofbroek
Eenmaal op streek
Ze weefde een paar laarzen
En een soldatensteek

Ze weefde een paar wanten
Ze weefde nog een buis
Ze weefde heel de nacht
In het koude huis

Ze zong terwijl ze werkte
De snaren vastpakte
Ze zong onverstoorbaar
En geen draadje brak er
En ik werd wakker

Daar zat mijn moeder
Met de harp tegen haar schouder
Hooguit achttien
En geen dagje ouder


Een glimlach op haar lippen
Een licht rondom haar hoofd
Met snaren in haar handen
Bevroren, dood

En naast haar een stapel
Die op omvallen staat
Met de kleer van een prinsje
Precies mijn maat


   
The ballad of the harp-weaver


"SON," said my mother,
When I was knee-high,
"You've need of clothes to cover you,
And not a rag have I.

"There's nothing in the house
To make a boy breeches,
Nor shears to cut a cloth with
Nor thread to take stitches.

"There's nothing in the house
But a loaf-end of rye,
And a harp with a woman's head
Nobody will buy,"
And she began to cry.

That was in the early fall.
When came the late fall,
"Son," she said, "the sight of you
Makes your mother's blood crawl,–

"Little skinny shoulder-blades
Sticking through your clothes!
And where you'll get a jacket from
God above knows.

"It's lucky for me, lad,
Your daddy's in the ground,
And can't see the way I let
His son go around!"

And she made a queer sound.

That was in the late fall.
When the winter came,
I'd not a pair of breeches
Nor a shirt to my name.

I couldn't go to school,
Or out of doors to play.
And all the other little boys
Passed our way.

"Son," said my mother,
"Come, climb into my lap,
And I'll chafe your little bones
While you take a nap."

And, oh, but we were silly
For half an hour or more,
Me with my long legs
Dragging on the floor,

A-rock-rock-rocking
To a mother-goose rhyme!
Oh, but we were happy
For half an hour's time!

But there was I, a great boy,
And what would folks say
To hear my mother singing me
To sleep all day,
In such a daft way?

Men say the winter
Was bad that year;
Fuel was scarce,
And food was dear.

A wind with a wolf's head
Howled about our door,
And we burned up the chairs
And sat upon the floor.

All that was left us
Was a chair we couldn't break,
And the harp with a woman's head
Nobody would take,
For song or pity's sake.

The night before Christmas
I cried with the cold,
I cried myself to sleep
Like a two-year-old.

And in the deep night
I felt my mother rise,
And stare down upon me
With love in her eyes.

I saw my mother sitting
On the one good chair,
A light falling on her
From I couldn't tell where,

Looking nineteen,
And not a day older,
And the harp with a woman's head
Leaned against her shoulder.

Her thin fingers, moving
In the thin, tall strings,
Were weav-weav-weaving
Wonderful things.

Many bright threads,
From where I couldn't see,
Were running through the harp-strings
Rapidly,

And gold threads whistling
Through my mother's hand.
I saw the web grow,
And the pattern expand.

She wove a child's jacket,
And when it was done
She laid it on the floor
And wove another one.

She wove a red cloak
So regal to see,
"She's made it for a king's son,"
I said, "and not for me."
But I knew it was for me

She wove a pair of breeches
Quicker than that!
She wove a pair of boots
And a little cocked hat.

She wove a pair of mittens,
She wove a little blouse,
She wove all night
In the still, cold house.

She sang as she worked,
And the harp-strings spoke;
Her voice never faltered,
And the thread never broke.
And when I awoke,–

There sat my mother
With the harp against her shoulder
Looking nineteen
And not a day older,

A smile about her lips,
And a light about her head,
And her hands in the harp-strings
Frozen dead.

And piled up beside her
And toppling to the skies,
Were the clothes of a king's son,
Just my size.


    foto edna st. vincent millay

   edna st. vincent millay op latere leeftijd
De vertaling mag zonder toestemming, maar niet zonder bronvermelding worden gebruikt voor niet-commerciële doeleinden.
Het copyright van de oorspronkelijke song berust bij de tekstschrijver.
terug naar boven