.ans.bouter.liedtekst-&.poëzievertalingen.
liedteksten & gedichten             over vertalen/hertalen             contact             zoeken             home

William Wordsworth (1770-1850)      over dit gedicht
Wordsworth, William
Composed upon Westminster Bridge, sept. 3, 1802
I wandered lonely as a cloud
Lucy Gray or Solitude
She was a phantom of delight
We are seven
Lucy Gray of De Eenzaamheid


Ik had al vaak van haar gehoord
Bij toeval zag ik haar
Daar in dat onherbergzaam oord
’t Was Lucy Gray, voorwaar!

Ze woonde op de heidegrond
Als een soort kluizenaar
Hoe lieflijk men het kind ook vond
Het liep slecht af met haar

Nog altijd kun je ’r herten zien
Een haas, soms zelfs een ree
Maar nooit zag men een glimp sindsdien
Een glimp van Lucy Gray

Vanavond zal het stormen gaan
Ga naar de stad, mijn kind
Haal moeder op met de lantaarn
Licht bij in sneeuw en wind

Dat, vader, doe ik al te graag
’t Is immers nog pas vroeg
Ik zie de maan en hoorde vaag
De klok die twee keer sloeg

En vader hief zijn haak omhoog
En hakte takken af
En Lucy, met lantaren, toog
Op weg, al op een draf

Zo dartel als een hertje springt
Zo speels was Lucy’s tred

Ze werd door fijne sneeuw omringd
Het zicht werd haar belet

De storm kwam eerder dan verwacht
Al gauw was ze verdwaald
Hoewel ze na een klim steeds dacht
Dat zij het had gehaald

De ouders zijn, ten einde raad
Gaan zoeken, heel de nacht
Maar al hun roepen had geen baat
Er werd vergeefs gewacht

Vanaf een heuvel ’s morgens vroeg
Ontdekten ze de brug
Iets was er wat hun angst aanjoeg
Nog steeds was ze niet terug

De hemel sta ons allen bij
Riep moeder na een schreeuw
Van Lucy’s schoenen zagen zij
Een afdruk in de sneeuw


De steile heuvel ging het af
Dat kleine voetenspoor
Dwars door de haagdoorn dan rechtsaf
En langs de muur rechtdoor

Ze gingen over open veld
En zagen ‘t spoor daar terug
Ze hadden weer hun pas versneld
En kwamen bij de brug

Op de met sneeuw bedekte kant
Zag je haar stappen gaan
Maar eenmaal op de brug beland
Moest zij zijn stilgestaan

En toch gelooft een enkeling
Nog steeds dat Lucy leeft
Dat zij als stille sterveling
Zich op de hei begeeft

Ze huppelt over zand en steen
En kijkt nooit om, het kind
Zacht zingt ze liedjes voor zich heen
Die meegaan met de wind


Lucy Gray or Solitude


Oft I had heard of Lucy Gray:
And, when I crossed the wild,
I chanced to see at break of day
The solitary child.

No mate, no comrade Lucy knew;
She dwelt on a wide moor,
--The sweetest thing that ever grew
Beside a human door!

You yet may spy the fawn at play,
The hare upon the green;
But the sweet face of Lucy Gray
Will never more be seen.

"To-night will be a stormy night--
You to the town must go;
And take a lantern, Child, to light
Your mother through the snow."

"That, Father! will I gladly do:
'Tis scarcely afternoon--
The minster-clock has just struck two,
And yonder is the moon!"

At this the Father raised his hook,
And snapped a faggot-band;
He plied his work;--and Lucy took
The lantern in her hand.

Not blither is the mountain roe:
With many a wanton stroke
Her feet disperse the powdery snow,
That rises up like smoke.

The storm came on before its time:
She wandered up and down;
And many a hill did Lucy climb:
But never reached the town.

The wretched parents all that night
Went shouting far and wide;
But there was neither sound nor sight
To serve them for a guide.

At day-break on a hill they stood
That overlooked the moor;
And thence they saw the bridge of wood,
A furlong from their door.

They wept--and, turning homeward, cried,
"In heaven we all shall meet;"
--When in the snow the mother spied
The print of Lucy's feet.

Then downwards from the steep hill's edge
They tracked the footmarks small;
And through the broken hawthorn hedge,
And by the long stone-wall;

And then an open field they crossed:
The marks were still the same;
They tracked them on, nor ever lost;
And to the bridge they came.


They followed from the snowy bank
Those footmarks, one by one,
Into the middle of the plank;
And further there were none!

--Yet some maintain that to this day
She is a living child;
That you may see sweet Lucy Gray
Upon the lonesome wild.

O'er rough and smooth she trips along,
And never looks behind;
And sings a solitary song
That whistles in the wind.


   foto william wordsworth







De vertaling mag zonder toestemming, maar niet zonder bronvermelding worden gebruikt voor niet-commerciële doeleinden.
Het copyright van de oorspronkelijke song berust bij de tekstschrijver.
terug naar boven