.ans.bouter.poëzie-&.liedtekstvertalingen.
liedteksten & gedichten             over vertalen/hertalen             contact             zoeken             home

W.H. Auden     over dit gedicht
Auden, W.H.
A summer night
Another time
As I walked out one evening
At the party
Bird-language
Few and simple
Foxtrot from a play
Funeral blues
If I could tell you
Law like love
O tell me the truth about love
O what is that sound
Our bias
The more loving one
Their lonely betters
Twelve songs VIII
Who's who
Een zomernacht

Ik lig in bed op het gazon
Vega, als verre compagnon
In de zachte juni-nacht
Waar blaadjes dicht bijeen gewaaid
Nu stil zijn en mijn voet zich draait
Naar waar de maan ons wacht

Hier aan het werk te mogen zijn
Dit tijdsgewricht, dit jachtterrein
Waar de zwoele zomerwinden
Het baden in het kleine bad
De tochtjes langs het boerenpad
Mij voortaan aan hen binden

’s Avonds als ik mij hier omring
Met vakgenoten in een kring
Net als een bloem betoverd
Het eerste licht geeft al een teken
Ze zal de nacht zacht openbreken
Die zeker wordt veroverd

Zelfs als we niets meer samen doen
Dan weet je nog die nachten toen
Angst glad de tijd vergat
En ook de leeuw hield zich er groot
Hun muilen lagen op ons schoot
Toen Dood zijn boek uit had

Van elke windstreek en dichtbij
Wie ik liefheb is bij mij
De maan waakt over hen
De luisteraars, briljante sprekers
En de wandelaars en hartenbrekers
Dik, lang, al wie ik ken

Vanuit de Europese lucht
Ziet ze de kerk in elk gehucht
Als vaste elementen
Zo bot als soms een slager staart
Die in een galerie rondwaart
Gluurt zij naar mooie prenten

Op zwaartekracht is zij attent
Ze merkt niet op waaraan men went
De honger laat ons koud
Geborgen zijn we, zij aan zij
En met een zucht beseffen wij
Hier heerst wie van ons houdt

En liever zijn we niet bekend
Met wie de Poolse grenzen schendt
En al het grof geweld
Of welke dubieuze wet
Het leven hier ons niet belet
Ons zonnen in het veld

Gauw, gauw zal de zelfvoldane snoet
Verschrompeld worden door de vloed
En als een boom zo groot
Staat plots de dood vlak voor ons neus
Zijn stromen leken zo gracieus
Maar zijn een watersnood

Het water dat de aftocht blaast
Toont sprietjes tarwe die verbaasd
Zich door de modder slaan
Een monster dat naar adem snakt
Hoort hoe erop wordt ingehakt
Zelfs hij is aangedaan


Aan dit genieten komt een eind
’t Was ongezien, maar het verschijnt
Vertoont een sterke kracht
Het gillen van de kleuter wordt
Gedempt omdat de ouder mort
En zingt van al haar pracht

Het luchtalarm is uitgezet
Het onvoorziene vraagt belet
Noopt naties om te waken
Kijk in de spiegel en vergeef
De moordenaar en wat hem dreef
De tijgerin te wraken

A summer night

Out on the lawn I lie in bed,
Vega conspicuous overhead
In the windless nights of June,
As congregated leaves complete
Their day’s activity; my feet
Point to the rising moon.

Lucky, this point in time and space
Is chosen as my working-place,
Where the sexy airs of summer,
The bathing hours and the bare arms,
The leisured drives through a land of farms
Are good to a newcomer.


Equal with colleagues in a ring
I sit on each calm evening
Enchanted as the flowers
The opening light draws out of hiding
With all its gradual dove-like pleading,
Its logic and its powers:

That later we, though parted then,
May still recall these evenings when
Fear gave his watch no look;
The lion griefs loped from the shade
And on our knees their muzzles laid,
And Death put down his book.

Now north and south and east and west
Those I love lie down to rest;
The moon looks on them all,
The healers and the brilliant talkers,
The eccentrics and the silent walkers,
The dumpy and the tall.

She climbs the European sky,
Churches and power stations lie
Alike among earth’s fixtures:
Into the galleries she peers
And blankly as a butcher stares
Upon the marvelous pictures.

To gravity attentive, she
Can notice nothing here, though we
Whom hunger does not move,
From gardens where we feel secure
Look up and with a sigh endure
The tyrannies of love:

And, gentle, do not care to know,
Where Poland draws her eastern bow,
What violence is done,
Nor ask what doubtful act allows
Our freedom in this English house,
Our picnics in the sun.

Soon, soon, through the dykes of our content
The crumpling flood will force a rent
And, taller than a tree,
Hold sudden death before our eyes
Whose river dreams long hid the size
And vigours of the sea.

But when the waters make retreat
And through the black mud first the wheat
In shy green stalks appears,
When stranded monsters gasping lie,
And sounds of riveting terrify
Their whorled unsubtle ears,

May these delights we dread to lose,
This privacy, need no excuse
But to that strength belong,
As through a child’s rash happy cries
The drowned parental voices rise
In unlamenting song.

After discharges of alarm
All unpredicted let them calm
The pulse of nervous nations,
Forgive the murderer in the glass,
Tough in their patience to surpass
The tigress her swift motions.
  foto van w.h. auden
















De vertaling mag zonder toestemming, maar niet zonder bronvermelding worden gebruikt voor niet-commerciële doeleinden.
Het copyright van de oorspronkelijke song berust bij de tekstschrijver.
terug naar boven